ARTICLES

Boekbespreking 'Gender en stem'

Date: 30/04/2006

Published in: Het Bulletin van de Vereniging voor Zangdocenten Nederland

In juni 2005 vond in Nijmegen het vierde jaarlijkse symposium plaats van ĎBridging Voice Professionalsí, een gezamenlijk initiatief van de afdeling KNO van het UMC St. Radboud Nijmegen en de afdeling NKO van het UZ-KU te Leuven. Ditmaal was het thema van het symposium ĎGender en Stemí. Naar aanleiding van dit symposium is een boek verschenen met daarin een samenvatting van een aantal voordrachten en enkele toegevoegde onderwerpen.

Tijdens het symposium werden de verschillen tussen de vrouwenstem en de mannenstem van diverse kanten belicht. Er werd gesproken vanuit het KNO, logopedische, sportfysiologische en zangpedagogische werkveld. Het boek geeft hiermee een multidisciplinaire visie op het onderwerp. Niet alle hoofdstukken zijn even gemakkelijk te begrijpen vanwege het gebruikte (bijv.medische) jargon. Van enkele hoofdstukken geef ik hieronder een korte weergave. Het is naar mijn mening zeker de moeite waard de bundel aan te schaffen.
Fysiologie Het eerste hoofdstuk door K. Peers geeft een overzicht van de sportfysiologische verschillen tussen man en vrouw. Voor de pubertijd zijn er weinig verschillen, daarna ontstaan er verschillen in skeletbouw, lichaamssamenstelling en fysiologie. Ook bespreekt hij verschillen in training en prestatie en de fysiologie van de menstruele cyclus. Nog zonder in te gaan op de specifieke stemverschillen, zijn de verschillen al talrijk. De fysieke stemverschillen tussen man en vrouw worden in hoofdstuk 6 kort en overzichtelijk in kaart gebracht.
Kwetsbaarheid W. Decoster schrijft een artikel over het verschil in kwetsbaarheid van de vrouwen- en mannenstem. Hij omschrijft kwetsbaarheid niet alleen in termen van kans op beschadiging van het stemapparaat, maar betrekt hierbij ook aspecten als ontwikkelingsfase, eigen stembeeld, zelfperceptie, vaardigheden, ervaring, communicatieve context, en diverse omgevingsfactoren. Deze factoren probeert hij in kaart te brengen. Wil je stemproblemen voorkomen dan moet je ook aandacht geven aan de tijdslijn waarbinnen een risico, via een klacht en een zorgbehoefte, uiteindelijk verandert in een werkelijke hulpvraag. Elke fase vraagt om een andere benadering. Naar mate de stembelasting en de stembelastbaarheid beter in balans zijn, vermindert de graad van kwetsbaarheid. Stembelasting betekent voor elke spreker/zanger iets anders. Het gaat niet alleen over de stemschade als gevolg van de belastende eisen, maar ook over een tekort aan flexibiliteit om in gevarieerde omstandigheden de stem efficiŽnt te kunnen blijven gebruiken door aanpassing van de stemtechniek. Decoster noemt in het artikel interne factoren die van invloed zijn op de belastbaarheid en de verschillen hierin bij mannen en vrouwen.
Bijvoorbeeld:

- Mannen hebben meer vochtafscheidende kliertjes in de larynx. Vrouwen hebben dus meer reden om tijdens stembelasting veel te drinken dan mannen en dit heeft ook meer invloed op een soepele stemgeving dan bij mannen.
- Vrouwelijke stemplooien trillen sneller dan mannelijke. Bij verkeerd gebruik lopen vrouwen meer kans op beschadiging dan mannen.
- Door een verschil in bouw sluit de mannelijke glottis met dezelfde spierspanning beter dan de vrouwelijke glottis.
- De oppervlakkige stemplooilaag bij vrouwen wordt minder beschermd tegen trauma ten gevolge van trillingen en overgebruik doordat er minder van het hyaluronzuur aanwezig is.

Verder bespreekt Decoster de invloed van psychologische factoren als Ďvocal imageí, zelfperceptie, zelf- en genderidentificatie en ook gedragsdeterminanten als attitude, sociale invloed en eigen effectiviteit. Zij zijn allen van grote invloed op de kwetsbaarheid van een stem. Op sommige domeinen zijn er genderverschillen, maar naar andere domeinen en vooral ook naar de interactie tussen de domeinen moet nog genderonderzoek gedaan worden.
'The Gender' Ank Reinders probeert in haar betoog antwoord te geven op de vraag of de stem bepalend is voor Ďthe genderí. Zij doet dit met een interessant en goed gedocumenteerd geschiedkundig hoofdstuk over de ontwikkeling van de tenorstem. Hierbij verwijst ze steeds naar de vroege operaís van Mozart, waarin hij veel gebruikt maakt van de castraatstem en dan geleidelijk de voorkeur gaat geven aan de tenor.
Onvolledige glottisluiting Het meest uitgebreide hoofdstuk gaat over de onvolledig glottissluiting als oorzaak van stemstoornissen en is geschreven door H. Schutte. Hij beschrijft de betekenis van een goede glottissluiting en de optredende vormen van een onvolledige sluiting. Omdat ik het een erg interessant hoofdstuk vind, geef ik een iets langere samenvatting.
Subglottische druk Omdat een slecht sluitende glottis de coŲrdinatie tussen adembeheersing en stemgeving verstoort, legt hij uit hoe de adem en de stem elkaar beÔnvloeden. De kracht of de druk waarmee de lucht uit de longen stroomt is in eerste instantie afhankelijk van hoe diep men heeft ingeademd. (Uitgangspunt hierbij is dat de ademspieren ontspannen zijn). Diep inademen om daarop luid te gaan spreken, zoals de meeste van ons automatisch doen, heeft dus meer te maken met het opbouwen van een hogere subglottische druk, dan met een groter luchtgebruik bij luid foneren. Hoewel de meeste mensen wel meer lucht verliezen bij luider foneren, blijkt dat bij een goede adem-stemcoŲrdinatie en adembeheersing het luchtverbruik vooral afhankelijk is van de bouw van de larynx. Voor het aanhouden van een constante toonsterkte moet de subglottische druk op een constant peil worden gehouden. Als die subglottische druk te laag dreigt te worden zetten we de uitademingsspieren in. In welke mate zij werken hangt af van de gewenste druk en hoe ver de longen met lucht gevuld zijn. Als we bijvoorbeeld willen foneren na een diepe inademing kan het zo zijn dat we de inademingsspieren gebruiken als rem, om te voorkomen dat de subglottische druk te hoog wordt en de uitademing te ongecontroleerd (ademsteun).
Interessant ook is de uitleg over het Ďwaterhamereffectí: Het in trilling brengen van het aanzetstuk gebeurt op het moment van de sluiting van de glottis. Hoe abrupter de sluiting, des te effectvoller is de glottis als geluidsgenerator.
InefficiŽnte stemgeving Er is een evenwicht tussen de larynx en de ademorganen, de werking van de ťťn beÔnvloedt de ander. Iedere verstoring van het evenwicht leidt tot inefficiŽnte handelingen en teveel spierinspanning (o.a. in glottis en bij het ademen) en geeft aanleiding tot extra vermoeidheid. In logopedische termen noemt men het hyperfunctie of hyperkinesie. Het opvallende is dat uit meting die Schutte voor zijn promotieonderzoek deed, geconcludeerd kan worden dat bij alle stempatiŽnten de subglottische drukken te hoog waren, ook bij de patiŽnten die men hypokinetisch noemt. Dit maakt het gebruik van het onderscheid tussen hypo- en hyperkynetisch onzinnig. De algemene fout bij stempatiŽnten is dat de stemgeving met teveel subglottische druk en dus met teveel inspanning gebeurt. Dit hoge inspanningsnivo kan diverse oorzaken hebben en is uiteraard gekoppeld aan de belasting van de stem. De conditie van de larynx, het organisch aspect alsmede de werksomstandigheden als geluidssterkte, toonhoogte en daarmee het registergebruik, spelen hierin een rol. Deze factoren werden al eerder genoemd bij het luchtgebruik. Het luchtgebruik van de larynx, en daarmee de snelheid waarmee de longen leeg raken, is afhankelijk van:
- Hoe lang de glottis open is (gemeten per sec). In het falsetregister is hij maar kort gesloten en door de hogere toonhoogte ook vaker per sec open. Dit kost veel extra lucht.
- De amplitude van de stemplooibeweging. Dit hangt samen met een goede ontspanning van de larynxspieren. In het falsetregister is er meer spanning, en is de amplitude kleiner, maar de tijd dat de glottis gesloten is, is relatief kort. In het modale register zijn de amplituden groter, maar dit wordt weer gecompenseerd door een snellere glottissluiting.
- De subglottische druk speelt ook een grote rol: Naar mate deze hoger is zal er in de fase dat de glottis geopend is meer lucht per seconde wegstromen.
Functionele Stemstoornissen? De patiŽnten bij welke men geen organische afwijkingen aan de stembanden vindt en die desondanks stemproblemen hebben, schaart men in de groep van Ďfunctionele stemstoornissení. De afwijking ligt hier in het functioneren van het strottenhoofd. Schutte bespreekt hier een groep patiŽnten met een lichte adductie- stoornis: De stembanden komen niet tot een volledige sluiting. Dit beeld ziet men vaak bij patiŽnten met stemknobbeltjes. Zij worden vaak behandeld met stemlessen en/of microchirurgie. Schutte concludeerde dat na verwijdering van de knobbeltjes de onvolledige glottissluiting bleef bestaan. Deze waren blijkbaar een gevolg van de onvolledige sluiting en niet de oorzaak. Hij beschouwt deze groep met lichte adductie stoornissen, als een groep die dichter bij de organische stoornissen zit, dan bij de functionele stoornissen: Er is sprake van een niet optimaal gebouwde larynx met onvolkomenheden in het kraakbenig larynskelet waardoor de arythenoÔden niet in een juiste positie kunnen schuiven om tot een goede sluiting te komen. Of er wel of geen knobbeltjes zijn, maakt hierbij weinig verschil. Deze patiŽnten moeten bij een gemiddelde geluidssterkte foneren met een inspanning die bij anderen pas nodig is bij luid foneren. Ze proberen met een extra inspanning toch de glottis te sluiten. Dit leidt tot hogere subglottische drukken die vragen om een extra inspanning van de ademspieren. Deze hogere drukken leiden weer tot een grotere luchtstroom, met meer hoorbare heesheid. Dergelijke stemmen worden nooit helemaal helder omdat het een organische afwijking betreft die operatief vrijwel niet te verhelpen is.
Een lagere subglottische druk kan bij deze patiŽnten bereikt worden door een betere adembeheersing, dit kan alleen als de larynx minder wordt gespannen. Dan wordt ook de hoeveelheid wilde lucht minder. De stemplooien zijn minder gespannen waardoor de amplitudes groter kunnen zijn en de glottissluiting langer. Hoewel de onvolledige sluiting blijft, zal de patiŽnt subjectief een verbetering waarnemen en bij lang spreken minder moe worden. Er moet dus in de stemtherapie niet gestreeft worden naar een volledig heldere stem, maar naar een zo efficiŽnt mogelijk foneren met een goede coŲrdinatie tussen adem en stem. Verderop in zijn artikel concludeert Schutte o.a. nog dat ďstemplooiknobbeltjes een teken zijn van overmatig stemgebruik. Ze treden vooral op als de larynx niet optimaal gebouwd is en een dorsale onvolledige glottissluiting bestaat.Ē

Aangezien in het zangvak het fenomeen Ďstemknobbeltjesí wel bekend is, en er veel misverstanden over bestaan, vond ik dit een leerzaam hoofdstuk. Uiteraard geef ik slechts een samenvatting van enkele artikelen uit dit boek. Wie meer wil lezen kan het boek bestellen bij het UMC St Radboud via het mailadres: m.tijmensen@kno.umcn.nl.

to the top