ARTICLES

Congres PEVOC 2007 (nl)

Date: 07/01/2008

'7th Pan European Voice Conference'

Van 30 aug.t/m 1 sept 2007 vond de zevende Pevoc conferentie plaats, een wetenschappelijke conferentie op het gebied van stem en adem. Ditmaal vond de conferentie in Groningen plaats. Jopie Kuiper (Hoge School Utrecht) en Harm Schutte (Groningen Voice Lab), die tevens afscheid nam, waren beiden 'Conference co-chair'.

De conferentie telde een aantal 'topics' waaronder de kinderstem, de stem van sprekers en acteurs in het theater, en de relatie tussen stem, stress en emotie. Daarnaast waren er 'free papers sessions' en workshops. De bijeenkomsten waren deels plenair, daarnaast was er zowel in de ochtend als in de middag een tijdsblok waarin je kon kiezen uit een veelheid van workshops, lezingen en discussies. Ik bezocht het congres twee dagen waarbij ik bij mijn keuze een mix probeerde te maken tussen theoretische en meer praktijkgerichte onderwerpen. Dit was door het overweldigende aanbod niet zo moeilijk! Veel van de lezingen hadden een zeer hoog tempo waardoor dit verslag een wat 'globaal' karakter heeft. Het verslag betreft alleen de bijeenkomsten die ik op de eerste ochtend bijwoonde.
De vocale ontwikkeling van het kind De eerste plenaire bijeenkomst door Annerose Keilmann (D) gaf een algemene introductie over de vocale ontwikkeling van het kind. Deze hangt af van de genetische dispositie, de voeding, de hormoon balans en de training van de stem. In het algemeen lijken kinderstemmen meer op elkaar dan volwassen stemmen.

De stemontwikkeling begint al voor de geboorte. Het gehoor is beschikbaar vanaf de achtentwintigste week. Pasgeborenen herinneren zich hun moeders stem en kunnen deze van andere stemmen onderscheiden. Ook onderscheiden zij verschillen in taal. Muziek die ze prenataal hoorden, herkennen ze. Babies huilen op een frequentie rond A4 (nb. ik neem aan dat zij hiermee 'onze' A2 bedoelt) met een uitslag van 2 tot 3 halve tonen. Soms is er een hoge fluittoon te horen. Na 4 tot 6 weken kan een baby emoties uiten.

Babylongen zijn ongeveer 50% kleiner dan die van een volwassene. De larynx is niet alleen kleiner, maar heeft ook andere verhoudingen. De larynx ligt bij een kind ook hoger. Bij een kind zit de tong niet in de pharinx. Hij zakt daar pas in bij het ouder worden. De nasal pharinx wordt bij het ouder worden ook steeds groter en de vorm van de onderkaak verandert tijdens de groei. Volwassen stembanden zijn verder dikker en langer. De verschillen tussen mannen- en vrouwenstemmen nemen bij het ouder worden toe.

Vanaf de babytijd wordt de stem steeds lager. Rond het zesde jaar stabiliseert de spraakhoogte zich tot ongeveer het tiende jaar, daarna verandert deze weer. De laatste jaren neemt de omvang van de kinderstem toe. Zij denkt dat dat ook aan de onderzoeksmethodes zou kunnen liggen. De formantgebieden worden steeds lager. Bij een man ligt F1 bij de klinker /a/ rond 300Hz. Bij een vrouw rond 350Hz. Bij een kind rond 420Hz.

Kinderen die regelmatig zingen hebben hogere formanten dan ongetrainde kinderstemmen. Tussen het vijfde en zesde levensjaar krijgen kinderen een steeds beter ritme gevoel. Tijdens hun kleutertijd zingen kinderen zuiverder dan wanneer ze op de lagere school zitten. Dit komt doordat ze dan minder training krijgen. Verder zingen jongens gemiddeld minder zuiver dan meisjes.
Klinische toepassingen voor de kinderstem Moya Andrews (USA) gaf een zeer interessante lezing waarbij ze op indrukwekkende wijze haar grote kennis combineerde en illustreerde met haar enorme ervaring met het behandelen van kinderen. Haar thema was vooral dat bij het behandelen van de kinderstem het zeer belangrijk is dat de behandelaar zich in het kind verplaatst. Het kind wil vooral 'gezien' worden en is helemaal niet ge´nteresseerd of de behandelaar een expert is. Het kind houdt zich bezig met zaken als: Krijg ik wel net zoveel als een ander?

Zij beschrijft stemgedrag als een product van meerdere 'systemen':
- Er is in het lichaam geen enkel 'systeem' dat alleen toegesneden is op stemgeving.
- Daardoor zijn behandelplannen lastig te maken.

Een behandelplan vereist medewerking van, en een leerproces bij het kind. Om die reden moet je op diverse terreinen goed op de hoogte zijn van zijn ontwikkelingsniveau: cognitief, sociaal, taalkundig, emotioneel, psychologisch en educatief.

Cognitieve ontwikkeling:
- Er moet een keuze gemaakt worden tussen een concrete versus een abstracte benadering.
- Je moet bepalen hoe lang en complex de aangeboden oefeningen kunnen zijn.
- Je moet je afvragen hoe goed het geheugen ontwikkeld is.
De mate van cognitieve ontwikkeling bepaalt dus de manier waarop je de oefeningen aanbiedt.

Sociale en emotionele ontwikkeling
Spraak is een belangrijk gereedschap in het sociale en emotionele verkeer. Om te werken aan dit aspect (expressie, communicatie) kan de logopedist gebruik maken van liedjes en rijmpjes die de kinderen op de kleuterschool geleerd hebben.

Taalkundige ontwikkeling
Vaak worden er te moeilijke termen gebruikt. Men moet dus tijdens de instructie zijn woorden zorgvuldig kiezen. Vergelijkende termen als hoog/laag worden vaak door elkaar gehaald. Aanwijzingen over wanneer te beginnen en te stoppen zijn vaak onduidelijk. Leesoefeningen niet altijd aangepast aan het leesniveau van het kind en/of aan zijn belevingswereld.

Het psychisch ontwikkelingsniveau bepaalt onder andere de manier waarop het kind omgaat met zijn spraakprobleem, bijvoorbeeld binnen een sociale context. Ook bepaalt het de mate waarin het kind gemotiveerd is voor de therapie. Positieve bekrachtiging door de therapeut kan het zelfvertrouwen van het kind enorm vergroten. Ook de ouders stimuleert ze om het kind positief te benaderen: "Catch him while being good and reinforce this".

De klinische relatie tussen kind en therapeut kan zeer stimulerend werken in hoe het kind naar zichzelf kijkt, zijn taak volhoudt, met anderen omgaat en succes behaalt. Om een interactie met het kind te op gang te brengen die past bij zijn ontwikkelingsniveau, moet daarom elke sessie maatwerk zijn.

Tot slot zegt Moya Andrews: "Vermijd het gebruik van dat kinderachtige stemmetje! Dat zal introverte kinderen in hun schulp doen kruipen."

Na een korte vragensessie kunnen we kiezen uit diverse presentaties en workshops. Ik kies voor Singing Voice 1 dat uit vijf presentaties van 15 minuten bestaat. In die korte tijd wordt er in een zeer hoog tempo allerlei onderzoeken gepresenteerd.
Instinct versus wetenschap Jan Hammar deed onderzoek naar de bruikbaarheid en de toepasbaarheid van de door de zanger opgedane kennis in de leskamer. Zijn belangrijkste vraag daarbij was of zangles geven gebaseerd is op instinct of op wetenschap en hoeveel kennis een zanger nodig heeft. Zijn conclusie is dat zowel zanginstructie als ook het leren zingen gebaseerd zijn op instinct, en dat je de wetenschap nodig hebt om een duidelijk mentaal beeld hiervan te krijgen.
'Buzziness' David M. Howard deed een onderzoek naar de perceptie van 'buzziness': In hoeverre ervaren luisteraars bepaalde gezongen tonen als 'zoemend' of 'gonzend'. Hij legt uitgebreid zijn onderzoeksopzet uit, maar het is zo technisch dat het me niet zo boeit. Wat me opvalt is dat soms de bron zo slecht wordt omschreven. Hij laat bijvoorbeeld iets zien van het zangspectrum van een bariton, maar zegt verder niets over of deze getraind of ongetraind is, en in welke stijl etc. Dat lijkt mij voor de uitkomst van het onderzoek toch wel wezenlijk.
Zelfperceptie Anick Lamarch presenteerde de resultaten van een onderzoek waar bij het afnemen van een phonetogram ook de beleving van de de zangers werd geregistreerd. Dat heeft als voordeel dat je kan registreren hoeveel moeite iemand voor een bepaalde toon moet doen. Tevens is de zelfperceptie van een stempatiŰnt altijd een belangrijk onderdeel van de evaluatie. In dit onderzoek, waarin met gezonde zangers werd gewerkt, drukte de zanger wanneer hij de toon instabiel vond, of oncomfortabel om te zingen, op een knop. Het bleek dat de zangers steeds op min of meer hetzelfde moment de knop indrukten, vooral bij hoge tonen. Maar toen de resultaten vergeleken werden met het willekeurig indrukken van de knop bleek er toch niet zoveel verschil te zijn. Anick Lamarch concludeerde dus: Het indrukken van de knop is toevallig maar wel consistent... In een vervolg onderzoek wil ze hetzelfde gaan doen met zangers die stemproblemen hebben.
Vocal modes herkennen Nazia Munir deed samen met C. Sadolin en Henrik Kjelin een onderzoek naar de bruikbaarheid van de classificatie die door de CVT methode van C. Sadolin wordt gebruikt. Een groep logopedisten werd door C. Sadolin zelf, een dag getraind in het herkennen van de vier 'vocal modes' die zij in haar methode gebruikt. Na die training kregen de logopedisten 96 voorbeelden te horen die ze moesten indelen in een van de vier geleerde modes. De meeste logopedisten hadden daar weinig of geen moeite mee. De conclusie was dat logopedisten met relatief weinig training de vier vocal modes kunnen herkennen en dat deze modes dus mogelijk als basis kunnen dienen voor een gemeenschappelijke taalgebruik tussen stem professionals.

Ik moet hierbij wel vermelden dat na navraag bleek dat de 96 test voorbeelden ook specifiek in een van de vier modes waren gezongen. Dat vond ik jammer. Als je mensen de vier kleuren rood, blauw, geel en groen leert onderscheiden en dat lukt binnen een tamelijk korte tijd, dan betekent dat naar mijn idee nog niet dat je met die vier kleuren dan ook gemakkelijk bijvoorbeeld het kleurgebruik van Picasso, Rembrandt of van Gogh kan beschrijven en analyseren. Dat is toch vele malen ingewikkelder.
Grunting, growling, distortion Het laatste onderzoek betrof ook een onderzoek ge´nitieerd door C. Sadolin en Henrik Kjelin samen met wetenschapper J. McGlasham. De vraag was of - door veel rock zangers gebruikte- effecten als distortion, grunting en growling geproduceerd kunnen worden zonder schade toe te brengen aan de stembanden. Het is een feit dat sommige zangers deze manier van zingen jaren kunnen volhouden, terwijl het 'ongezond' klinkt. Wil je met deze effecten gaan experimenteren dan moet de basis techniek in orde zijn, men moet met een open keel en zonder te knijpen kunnen zingen, en de ademsteun moet voldoende zijn. Voorwaarde voor deze goede basis techniek was volgens de onderzoeker dat je leerde zingen volgens de CVT methode. Op een of andere manier vond ik dat niet zo'n wetenschappelijke opmerking.

Het idee van de CVT methode is, dat als je weet hoe je het doet, je het ook consistent zou moeten kunnen herhalen. De resultaten van dit voorbereidende onderzoek (er werden bij het grunten en growlen slechts drie zangers onderzocht) wijzen uit dat de genoemde effecten ontstaan door trillingen van de supraglottic structures (valse stembanden) in samenwerking met de ware stemplooien. Ook de stand van het strotteklepje is van belang. Er werd in het onderzoek geen bewijs gevonden van overmatig knijpen of schadelijke trillingen op glottis niveau. Het was mooi om de filmpjes te zien die tijdens de laryngo-stroboscopie waren gemaakt.

Het is misschien wel voorbarig om te zeggen dat effecten als grunting, distortion en growling niet schadelijk voor de stem zijn. Ik zou zeggen ze 'hoeven' niet schadelijk voor de stem te zijn. Het zingen van een Wagner opera hoeft bijvoorbeeld ook niet schadelijk voor de stem te zijn, maar er zijn toch maar relatief weinig zangers die dat repertoire aankunnen. In dat opzicht vond ik het taalgebruik van sommige onderzoekers wat erg enthousiast en te weinig genuanceerd.

to the top