ARTICLES

Zang Lichte Muziek (nl)

Date: 18/05/2006

Published in: Het Bulletin van Nederlandse Vereniging voor Zangdocenten Nederland

De afgelopen maanden werd ik een aantal malen geconfronteerd met enkele opmerkelijke uitingen binnen mijn vak en tevens las ik enkele uitspraken en opmerkingen van collegae hierover die mij aan het denken zetten. Een viertal wil ik graag met u delen:


1. Symposium popzang

Het meest prikkelend vond ik de uitnodiging van de Nederlandse Stemstichting die op 18 jan 2003 een symposium organiseerde over popzangers. In hun uitnodiging concluderen zij dat:"... Vrijwel geen enkele populaire zanger een intensieve scholing heeft gehad zoals klassieke zangers die genoten hebben. Ze zijn veel minder voorzichtig met hun stemorgaan. Heesheid of ruwheid in de stem worden geaccepteerd of als normaal ervaren."...." Zelden zoeken popzangers medische hulp. Zangles wordt niet genomen omdat die vrijwel altijd stoelt op een klassieke basis die hen niet aanspreekt." In het vorige bulletin verschenen verslagen van deze dag. Er werd gesproken door een arts/foniater, een popdeskundige (niet geschoold?), een zanger(klassiek geschoold). Workshops werden gegeven door een zanger (klassiek geschoold), fysiotherapeut en een logopedist.:



2. Zingen zonder techniek

In het radio 4-programma 'Opus' hoorde ik een 'live'-optreden van Maarten Koningsberger. Hij vertelde o.a. dat hij onlangs opnamen had gemaakt van Schuberts 'Winterreise' waarbij de teksten in het Nederlands waren vertaald door Jan Rot. Hij zong een stuk van deze cyclus waarbij hij met de originele duitse tekst begon en later overschakelde naar het Nederlands. Het opmerkelijke was dat zijn stem in het Duits prachtig klonk maar dat zijn stem in het Nederlandse deel alle resonans verloor. Het klonk kaal en vlak en verre van professioneel. Van de ook in de studio aanwezige Ursul de Geer kreeg Maarten naar aanleiding hiervan meteen de onverbloemde kritiek dat het Nederlandse deel nergens naar klonk. Maarten legde toen uit dat hij het Nederlands niet goed vindt klinken als je met een echt klassieke klank zingt, daarom had hij de nederlandse versie "zonder techniek" gezongen zodat het wat 'lichter' klonk.


3. Idols

Daarnaast werden we de laatste tijd op de televisie overspoeld met talentenjachten. Maar liefst meer dan 7000 mensen dachten, meestal onterecht zoals heel Nederland kon meebeleven, dat zij het nieuwe zang-idool van Nederland konden worden. In Frankrijk waren het er zelfs 20.000! Met veel plezier, en vaak ook met de doorspoelknop van mijn videorecorder ingedrukt, volgde ik een heel aantal afleveringen. Wie zou het winnen: de stem of het uiterlijk? Je kan er niet omheen dat in ons vakgebied ( klassiek èn licht) dit laatste aspect een grote rol speelt, zeker als er voornamelijk gestemd wordt door jonge pubermeisjes. Gelukkig won uiteindelijk toch de stem het van de 'looks' nadat er al een aantal zeer getalenteerde kandidaten was afgevallen. Ook leuk om te ontdekken is dat er in de zo internationaal lijkende pop-muziek toch duidelijk smaakverschillen bestaan tussen wat men bijv in Frankrijk of in Nederland mooi vindt. Eén ding is duidelijk: hard en hoog is - ook weer net als in het klassieke vak- overal heel populair.


4. Musicaluitvoering

In maart woonde ik een musicaluitvoering bij, ingestudeerd en georganiseerd door een collega. In 10(!!) repetities had ze met een groep amateurs alles ingestudeerd, een cd opgemomen een een concertante uitvoering geensceneerd. Ondanks dat de muziek verre van gemakkelijk was, was het nivo meer dan overtuigend en werd er ook nog eens goed geacteerd. Als er al eens ergens een toontje aan de hoge kant was dan werd deze licht aangezet en nooit geforceerd naar buiten geperst. Een echte prestatie.


Beeldvorming

Bovengenoemde vier voorbeelden haal ik aan omdat ze zo exemplarisch zijn voor de manieren waarop er over 'lichte muziek' zang gedacht en gesproken wordt (1 en 2) en ook van hoe de praktijk er soms uitziet (3 en 4). Deze twee zaken sluiten wat mij betreft vaak niet bij elkaar aan. Binnen het vakgebied wordt er door met name klassieke docenten vaak vanuit een zekere bezorgdheid gesproken over het 'lichte deel', terwijl er in mijn optiek juist sprake is van een enorme positieve ontwikkeling. Een musical-uitvoering zoals ik die hierboven schets zou een aantal jaren geleden ondenkbaar zijn.


Ontwikkelingen

De uitnodiging van de Stem Stichting geeft de indruk dat er de laatste 15 jaar niets is veranderd. Alsof er niet al vanaf ong 1987 geschoolde pop-en jazz -zangers aan de conservatoria afstuderen en alsof er niet legio pop-en jazz-zangers zijn met een zeer goede techniek. Zij hebben er o.a. aan bijgedragen dat bijvoorbeeld het nivo van zangers die toelating doen voor het conservatorium steeds stijgende is en dat ik vooral de laatste jaren opvallend veel jonge zangers van rond de 15 jaar hoor met een uitstekende basis. Alhoewel ik de opzet van een programma van Idols niet kan toejuichen (behalve dan dat het misschien duidelijk maakt dat je toch wel iéts moet kunnen wil je geselecteerd worden), is het ondenkbaar dat het nivo van de finalisten een aantal jaren geleden vergelijkbaar zou zijn geweest. Ook als ik het nivo van de nederlandse pop-en jazz-zanger vergelijk met het gemiddelde nivo dat ik in het buitenland tegenkom dan kan ik ook niet anders concluderen dat het nivo in Nederland heel hoog is. Dit komt naar mijn idee omdat de laatste jaren er juist wèl een trent is om als pop-of jazz-zanger zangles te gaan nemen en tevens omdat er inmiddels steeds meer geschoolde docenten zijn op dit vlak.


Vrijheid

Het leuke aan het zingen en doceren van pop/jazz-zang vind ik de vrijheid die je hebt. Vrijheid in interpretatie en vrijheid in het gebruik van je stem. Je hebt zelfs de vrijheid om op het podium te gaan staan ook al is je zang verre van perfect en je hebt de "vrijheid" je stem daarbij te beschadigen. Dit is enigszins ironsich bedoeld omdat mijn ervaring leert dat inmiddels echt elke zanger (ook beginnend en/of heel jong) weet welke risico's hij neemt bij veelvuldig stemmisbruik. Omdat véél kan ontstaat snel de misvatting dat ook iederéén het kan. Enerzijds heeft dat als resultaat dat er bijvoorbeeld bij de aanmelding voor het Idols-programma lachwekkende figuren zaten die niet echt in staat waren iets te doen dat op zingen leek, anderzijds is juist die laagdrempeligheid soms zo aantrekkelijk. De bijna 'sacrale sfeer' waarbinnen de klassieke muziek zich afspeelt veroorzaakt soms een vorm van elitairisme waarin veel mensen zich niet in thuis voelen en vormt een groot contrast met de spontaniteit die zo belangrijk is in pop en jazz. Die vrijheid en spontaniteit in de lichte muziek is blijkbaar ook voor veel klassieke zangers aantrekkelijk gezien het grote aantal dat regelmatig een uitstapje naar het 'lichte genre' maakt, niet alleen in de leskamer maar ook op het podium. Andersom zie ik het nog niet zo gauw gebeuren, daarvoor is de drempel waarschijnlijk te hoog. Het zou bovendien ook niet snel geaccepteerd worden zoals andersom meestal wèl het geval is.


De functie van techniek

Mede door het bovenstaande heeft techniek in de "lichte" zang een hele andere functie dan binnen de klassieke zang: Het is daar niet persé een voorwaarde voor een goede interpretatie. De student leert zijn stem goed te gebruiken met het oog op een zo'n lang mogelijke carrière en nog belangrijker; hij leert om zijn stem op zoveel mogelijk manieren te gebruiken en daarmee een zo groot mogelijke artistieke vrijheid te verwerven. Hoe de student de techniek gaat aanwenden is zijn eigen artistieke keuze en de zangles is erop gericht de student in deze persoonlijk/muzikale en technische ontwikkeling te begeleiden. Dit impliceert ook dat techniekonderricht niet vóór de interpretatie komt en dat er niet eerst Vacai en Sieber doorgewerkt hoeft te worden aleer men aan een 'echt' stuk toekomt, maar dat er meer sprake is van een gelijktijdige ontwikkeling. Ik heb het idee dat dit door veel (klassieke) docenten niet begrepen wordt en zelfs als negatief wordt geinterpreteerd. Het verklaart ook voor mij de grote eenzijdige aandacht die er steeds is voor de technische kant van het zingen van lichte muziek mn door docenten met een klassieke achtergrond.


Debat

Op een of andere manier mengen de 'lichte muziek' zangdocenten zich tot nu toe nog weinig in het debat over hun vakgebied. Ik wijt dit aan een gebrek aan traditie en aan het feit dat veel van deze docenten ook vaak heel actief zijn op de podia en misschien geen tijd hebben (?). Een rol speelt ook dat op veel conservatoria de vakken methodiek en fysiologie vanuit de historie gemonopoliseerd worden door klassieke vakgenoten en dat ook het vak 'techniek' meestal door een klassiek geschoolde docent gegeven wordt. Helaas geeft de studenten 'licht' nog steeds impliciet de boodschap dat alles op dat vlak bij de 'klassieke' afdeling hoort en is dit weinig stimulerend om hierin zelf een weg te gaan zoeken en het vak te professionaliseren. Ik had ooit zelf op het conservatorium een (lichte) collega die vond dat je voor techniek naar een klassieke collega moest gaan. Hij snapte niet dat hij hiermee impliciet zei dat hij vond dat de studenten die hij zelf opleidde (samen met zijn klassiek collega) na hun studie dus eigenlijk niet in staat waren om hun toekomstige leerlingen voldoende technische scholing te geven. Sic! Ook vroeg nog heel onlangs een klassiek collega aan mij of een bepaalde student soms tevens klassiek studeerde om techniek te leren. Natuurlijk moésten vroeger de lichte zangers om beter te leren zingen naar klassieke docenten -waarvan sommigen met veel geduld zeer goed werk hebben verricht-. Toen volkomen logisch, inmiddels in mijn optiek volkomen achterhaald. Ook, of juist, op het conservatorium!


Methodiek

Het is duidelijk dat het tijd wordt dat de 'lichte' mensen zich in hun eigen traditie en methodiek gaan verdiepen en over hun methodes gaan schrijven en discussiëren. De tijd is er rijp voor. Nu lijkt het net alsof Jo Estill de enige is die ons iets kan leren over het zingen van lichte muziek, terwijl ook voordat deze methode werd geintroduceerd er al jaren goed en gezond gezongen werd door een groot aantal geschoolde lichte muziek zangers. Ook Jo Estill heeft een klassiek achtergrond en haar verhaal is m.i. zeer duidelijk gevormd door haar persoonlijke ervaringen tijdens haar eigen klassieke zangstudie. Ik herken nog steeds vrij weinig in de technische informatie die zij tot ons brengt, alhoewel er uiteraard altijd (zoals in elke methode) bruikbare zaken bijzitten. Wat dat betreft sluit de methode van Pahn veel beter aan bij mijn dagelijkse zangpraktijk.


Kennis

De raad die ik mijn studenten geef is: Analyseer wat je zelf doet, verdiep je in alles, en blijf dat doen, lees vakliteratuur, kijk bij collega's, volg cursussen, en zorg dat je op deze manier een verantwoorde en persoonlijke stijl van lesgeven ontwikkelt zonder achter wie dan ook 'aan te lopen'. Naar mijn idee blijft dat laatste toch het grootste 'euvel' van veel zangdocenten. Ik bespeur momenteel soms bijna een 'overwaardering' voor wetenschappelijk opgedane kennis (hoe interessant ook!), alsof die zomaar meteen overdraagbaar zou zijn in de leskamer. Men zou naast deze opgedane kennis ook het zelfvertrouwen moeten behouden om te putten uit de eigen traditie jarenlang opgebouwd door de diverse zangpedagogen. Bovendien, en dat vergeten veel docenten, is de wetenschappelijk opgedane kennis welke verkregen is door experimenten met geschoolde zangers gedaan met klassiek geschoolde zangers.


Zingen zonder techniek

Ik bespeur ook dat wanneer er gesproken wordt over 'de pop-zanger' er meestal wordt gerefereerd aan een ongeschoolde zanger terwijl men bij het gebruik van het woord klassiek zanger er vanuit gaat dat deze goed geschoold is. Ik lees dit bijvoorbeeld ook terug in het verslag van de lezing door Dr Willem Kersing: Hij concludeert dat popzangers veel volume willen hebben en vraagt zich af waarom ze daarvoor dan niet de zangersformant gebruiken. Hij zegt dat popzangers de laagte vermijden en ze daar geen enkele uitstraling hebben en het hen aan techniek ontbreekt. Maar spreekt hij nu over een geschoolde pop-zanger of over een ongeschoolde? Ook de uitspraak van Maarten Koningsberger gaat in deze richting. Ik haal deze uitspraak ook aan omdat het zo'n mooi voorbeeld is van het klassieke denken over techniek. Zijn uitspraak impliceert nml. dat wanneer je niet volgens een bepaald (in dit geval klassiek) klankideaal zingt, je dus zònder techniek zingt. Als je luistert naar Bulgaarse zangeressen of naar zingende pygmeeën of -want daar hebben we het hier nu over- naar een heftig zingende popzanger, moet je dan concluderen dat zij geen techniek hebben, of moet je concluderen dat zij met het gebruik van hun techniek een ander klankideaal nastreven?
Dit zijn zo enkele gedachten die naar aanleiding van de vier bovenstaande onderwerpen bij mij naar boven kwamen. Al met al is het 'lichte muziek zangvak' een vak dat met name theoretisch nog in de kinderschoenen staat en ik bewonder iedereen die zich ervoor inzet om het nivo steeds weer te verbeteren en het vak te professionaliseren. Het zou mij daarbij zeer interesseren vaker pop- en jazz-zangers die veel podiumervaring hebben en die ook technisch weten wat ze aan het doen zijn over hun vakgebied te horen. Het lijkt mij dat er inmiddels voldoende zijn en velen van hen geven al jaren les op muziekscholen of conservatoria.

copyright: Ineke van Doorn 18-5-03

to the top